Artikelen

Gij zult niet reli-pesten

Gij zult niet reli-pesten.

Vivienne’s zesjarige zoon leidt wekenlang aan onverklaarbare nachtelijke paniekaanvallen. Dan komt plotseling de aap uit de mouw.

‘Mama, Amar zegt dat ik naar de hel ga.’

Ik sta een boterham te smeren als ik hem plotseling achter me hoor. Een zacht stemmetje, dat breekt halverwege de zin. 

Gealarmeerd draai ik me om en kijk naar het zorgelijke smoeltje van mijn zesjarige zoon. Even sta ik met mijn mond vol tanden. Dan haal ik diep adem, pak zijn hand en ga met hem op de bank zitten. Zo rustig mogelijk vraag ik waarom hij zoiets denkt.

‘Amar zegt dat wij allemaal naar de hel gaan. Papa en jij ook. Omdat we niet in Allah geloven.’

Amar is ons Marokkaanse buurjongetje van vijf. En hoewel de twee jongens graag samen spelen en het over bijna alle fundamentele zaken eens zijn (bruine M&M’s zijn de lekkerste!) verschillen ze ook. Amar is moslim. Althans, zijn ouders hebben hem verteld dat hij dat is. 

Wij niet. Wij zijn gewoon maar mensen die een beetje aanrommelen en het goede proberen te doen. Als mijn zoon later besluit dat hij troost en houvast vindt in een of andere religie of levensbeschouwing is dat zijn keuze, maar ik geef hem graag die optie: Zelf kunnen en mogen kiezen. 

Toch werd deze opmerking door iets heel anders getriggerd dan een existentiële geloofsdiscussie tussen de twee zesjarigen. En wel door de nieuwe piratenvlag op de hut van mijn zoon. Een gerafelde, zwarte vlag met een witte doodskop, wapperend aan een oude scheepsmast en dus al te zien zodra je de straat binnen rijdt. ‘Mijn vlag is de allerhoogste!’ (Van de hele straat, bedoelde hij) was de enthousiaste reactie van mijn zoon. Maar niet volgens Amar, voor wie er maar een de allerhoogste was. Allah. 

Het resultaat van het daarop volgende gesprekje? Wekenlange slapeloosheid en nachtelijke paniekaanvallen. 

Mijn zoon is een goed joch. Hij is lief, zonder dat een onzichtbare god hem allerlei regels oplegt. En hij gaat niet naar de hel, omdat er geen hel bestaat. Maar hij dacht overduidelijk van wel, en daardoor wist ik eindelijk waardoor hij al weken bang was om in slaap te vallen. De geest was letterlijk uit de fles, want hij ging verder. Met een verdacht bibberend lipje deed hij uit de doeken wat Amar hem nog meer had verteld. Dat er ‘s nachts een duivel uit de spiegel komt, die zich nestelt op zijn kussen. Geen Spiderman-sloop dat daar tegen bestand is. En zelfs voor prinses Piep, de heroïsche knuffelmuis die zich gespecialiseerd heeft in het wegjagen van monsters van wat voor twijfelachtige pluimage dan ook, bleek een heuse duivel een brug te ver. 

Ik moest mezelf bedwingen om niet op hoge poten bij de buren aan te bellen. Want o, wat wilde ik graag even heel erg duidelijk te maken dat ik *not amused *was door dit soort bangmakerij aan het adres van mijn kind.

Hypocriet misschien, want toen diezelfde Amar mijn zoon afgelopen zomer doodleuk mededeelde dat Sinterklaas niet bestaat, voelde ik dezelfde impuls. 

Hoewel ik geworsteld heb met het concept ‘Sint’ – zeker nadat er vragen in die richting kwamen – dacht ik na lang nadenken een voor alle partijen bevredigende oplossing te hebben gevonden. ‘Sinterklaas bestaat voor alle mensen die in hem geloven!’ zei ik net iets te hoog en iets te vrolijk. ‘Net als God, eigenlijk’ voegde ik er nog even blijmoedig aan toe. 

Zo loog ik niet, en kon mijn zoon eieren voor zijn geld kiezen door, ondanks zijn vraagtekens, toch in de goedheiligman te geloven en zodoende zijn cadeautjes te innen. Kinderen zijn nu eenmaal opportunisten pur sang. En ik ook, want ik was er nog lang niet klaar voor om afscheid te nemen van de magie van een gevuld schoentje en de bijbehorende stralende kinderoogjes. Het had ook als resultaat dat ‘Het Grote Boek van Sinterklaas’ nu naast de kinderbijbel in zijn boekenkastje prijkt. Want ‘Sinterklaas is ook een geloof.’ 

Ik vond eigenlijk dat ik het best goed had opgelost. Daarbij is er ook iets voor te zeggen om je kind de magie van Sinterklaas, de tandenfee en de paashaas te gunnen. Het mini-trauma bij het ontdekken van de waarheid weegt daar naar mijn mening niet tegenop. 

Mijn punt is: Ik vind het niet mijn plaats andermans kind te melden dat ik het idee van een bebaarde meneer die ergens op een wolk zit en ons allerlei regels voorschrijft hoogst onwaarschijnlijk vind. 

Zeker niet als de ouders van het desbetreffende kind een hoop invulling en houvast lijken te beleven aan dat concept. Maar andersom kan ik het ook allerminst op prijs stellen als mijn zoon wordt geconfronteerd met vooruitzichten van een prikkende drietand (wat is eigenlijk het Islamitisch equivalent daarvoor?) en eeuwig vuur. 

Ik kan enorm genieten van Rooms Katholieke rituelen zoals wierook zwaaien, een kaarsje branden in een pittoresk kerkje op vakantie en de nachtmis met Kerst in de Domkerk. En het idee dat er iets is dat een beetje op je past vind ik best aantrekkelijk. Maar daar houdt het dan wel bij op. Ik geloof niet in een straffende, oordelende God. Daarvoor heb ik misschien net wat teveel leed gezien bij mensen die dat niet verdienden, en vice versa. 

Goed, op negenjarige leeftijd heb ik de eerste communie gedaan, maar dat was meer omdat de hele klas het deed. Mij viel de eer ten deel om de kelk met wijn te mogen dragen. Die ik vervolgens, toen de priester even niet keek, in twee slokken achterover sloeg. Dat leek me destijds wel lollig. Ik heb er nog foto’s van: met een verdacht loensende blik, twee piekerige vlechtjes en dunne wiebelbeentjes sta ik houvast te zoeken aan een kerkbankje. Een roze jurkje met ruches waarvan alleen de aanblik al de vullingen uit je kiezen doen springen maakt het beeld compleet. 

Daarna ben ik nooit meer echt innig geweest met welke God dan ook. 

(Tussen mij en wijn botert het overigens nog steeds goed, ondanks onze ‘*rocky start’.)*

Dat neemt niet weg dat ik het belangrijk vind mijn zoon bij te brengen welke godsdiensten en levensvisies er zoal bestaan. Het is een kwestie van algemene ontwikkeling, net zoals ik hem kennis laat maken met de sprookjes van Grimm en het muzikale oeuvre van Queen. In onze boekenkast prijkt dan ook de eerder genoemde kinderbijbel en ook las ik een periode dagelijks trouw Boeddhistische verhalen voor. 

Dat vond ie namelijk wel wat, dat Boeddhisme. Dat wil zeggen, totdat we bij het gedeelte kwamen dat ging over afstand doen van alle materie. Ik zag zijn blik zenuwachtig afdwalen naar de plek waar de WII U staat, om te zien of ik daar niet stiekem alvast afstand van had gedaan. Heel gek, maar daarna heb ik hem niet meer over het Boeddhisme gehoord.  

Punt is: ik wil mijn zoon leren om zelf te denken, en dat is juist datgene wat me het meeste tegenstaat aan het concept ‘georganiseerde religie.’ Het opdringen van denkbeelden en het daarmee gepaard gaande schuldgevoel. En eerlijk gezegd staan ouders die dat wel doen mij evenzeer tegen. Dat zou je intolerantie kunnen noemen, maar dan een van de minder bedreigende soort. Ik houd mijn intolerantie namelijk lekker voor mezelf, omdat ik me donders goed besef dat een ander daar waarschijnlijk geen enkele boodschap aan heeft. Een besef dat naar mijn idee bij veel streng gelovigen nogal eens ontbreekt.

Toch is het ook weer niet zo dat wij het tijdens het eten van onze ochtendcornflakes over de vreugden van ketterij hebben, dus het bleef aan me knagen dat mijn zoon slachtoffer was geworden van deze religieuze pesterij. Want laten we eerlijk zijn, dat is het: Pesten. 

Hoewel er geen scheldwoorden bij komen kijken en er niet geslagen of geschopt wordt, kan dit soort bangmakerij behoorlijk verstrekkende gevolgen hebben.

Inmiddels lag niet alleen mijn zoon ‘s nachts wakker, maar ik ook. Zijn bekentenissen bezorgden me een knagende maagpijn. Ongeveer op dezelfde manier als toen ik de moeder van Amar deze zomer in de aangrenzende tuin tegen Amar’s achtjarige zusje hoorde zeggen dat ‘vrijheid niet alles is’ en ze ‘haar grenzen moet kennen’. En dat alleen maar omdat haar dochter met een vrolijk stemmetje vertelde dat ze later de wereld over wilde reizen. 

Hoewel ik als op en top Westerse, vrijheidslievende semi – ongelovige op mijn tong moest bijten, zei ik niets. Maar met de aan mijn bloedje voorgespiegelde hel was de grens bereikt. Nadat de rode vlekken voor mijn ogen wat waren weggetrokken, besloot ik toch maar even aan te bellen. 

Ik trof de buurman. Die beweerde geen idee te hebben waar zijn kinderen de helle-teksten vandaan hadden. Hij schrok van wat ik hem vertelde en beloofde er een serieus gesprek aan te wijden.

Toch liet het me niet helemaal los. Stiekem verdenk ik de onlangs uit Marokko geïmporteerde oma, die het grootste gedeelte van de dag als oppas fungeert. En wellicht het Islamitische weekendschooltje. Het zou me niets verbazen als zij degene is die schuldig zijn aan het, al dan niet bewust,  influisteren van verminderd tolerante denkbeelden.

Mijn zoon verbieden met de buurkinderen te spelen? Dat wil ik niet. Want ja, dat doet hij nog steeds graag. Zolang ze niet over Allah beginnen, want dan gaat ie ‘liever op de WII’. 

**Dit gebeurde twee jaar geleden. Onze buren zijn inmiddels, zeer abrupt, verhuisd. *

Dit verhaal verscheen in 2013 in ‘Fabulous Mama’

Mijn werk steunen kan via:

↪️ buymeacoffee.com/vivzonderfilter

Of via 👇

Donaties